Beau Oldenburg

Beau Oldenburg

onderzoek naar pesten

Pesten is subjectief, maar daarom niet minder erg

Dit artikel verscheen ook in Psyche & Brein

 

Pesten komt op bijna iedere school wel voor. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat pesten negatieve gevolgen voor alle betrokkenen heeft. Kinderen die gepest worden, voelen zich vaak eenzaam, angstig en depressief. Deze klachten kunnen zelfs als het pesten gestopt is, aanhouden. Ook kinderen die pesten kunnen hier negatieve gevolgen van ervaren.

Kinderen pesten meestal omdat ze populair en cool willen zijn. Door te pesten leren zij hun doelen op een verkeerde manier te bereiken. Kinderen die pesten, vertonen op latere leeftijd dan ook vaker crimineel gedrag en hebben vaker last van verslavingen. Ten slotte heeft pesten negatieve gevolgen op de sfeer in de klas waardoor ook kinderen die zelf niet gepest worden zich onveilig kunnen voelen.

 

Wat is pesten eigenlijk?

In de afgelopen jaren is er veel onderzoek naar pesten gedaan. In deze onderzoeken wordt meestal Olweus’ definitie van pesten gebruikt. In deze definitie staan drie elementen centraal: structureel, machtsverschil en bewust. ‘Structureel’ betekent dat pesten niet af en toe maar keer op keer plaatsvindt. Volgens Olweus is er sprake van pesten als het minimaal twee keer per maand gebeurt. ‘Machtsverschil’ houdt in dat de pester fysiek of sociaal sterker is dan het slachtoffer. ‘Bewust’ betekent dat de pester het slachtoffer expres probeert te kwetsen. Volgens Olweus kan pesten zich op verschillende manieren manifesteren. Veel voorkomende vormen van pesten zijn fysiek pesten (slaan of schoppen), verbaal pesten (uitschelden), relationeel pesten (roddelen of buitensluiten), materieel pesten (spullen afpakken of kapot maken) en cyber pesten (pesten via het Internet).

 

Het meten van pesten

In de praktijk is het erg lastig om te bepalen of kinderen gepest worden. Pesters gedragen zich vaak strategisch en pesten alleen als zij uit het zicht van volwassenen zijn. Vooral subtiele vormen van pesten zijn voor buitenstaanders moeilijk te detecteren. In wetenschappelijk onderzoek wordt daarom meestal gebruik gemaakt van informanten. Aan verschillende betrokkenen wordt dan gevraagd wie er in de klas gepest worden.

Zelf-rapportages en peer-rapportages worden het vaakst gebruikt. In ‘zelf-rapportages’ geven kinderen over zichzelf aan of ze gepest worden. Een voordeel van deze zelf-rapportages is dat kinderen zelf het beste weten wat er is gebeurt. Een nadeel is dat deze rapportages gekleurd kunnen zijn. Zo komt het voor dat kinderen uit schaamte of angst het pesten verzwijgen. ‘Peer-rapportages’ houdt in dat er aan kinderen in de klas wordt gevraagd wie van hun klasgenoten gepest worden. Peer-rapportages zijn minder gekleurd door angst of schaamte, maar een nadeel van peer-rapportages is dat kinderen mogelijk niet op de hoogte zijn van alle pest episodes omdat zij er zelf niet bij waren.

 

Wie heeft er gelijk?

Als zowel zelf-rapportages als peer-rapportages hetzelfde kind als slachtoffer van pesten aanwijzen dan is het redelijk om aan te nemen dat dit kind echt gepest wordt. Echter, uit ons onderzoek blijkt dat de verschillende soorten informanten het vaak niet met elkaar eens zijn. In ons onderzoek gaven kinderen in vragenlijsten op de computer aan of ze gepest werden. Vervolgens werd er aan hun leerkrachten en klasgenoten gevraagd welke kinderen er in de klas gepest werden. De antwoorden van de kinderen zelf, hun leerkrachten en hun klasgenoten bleken niet overeen te komen. Veel kinderen gaven aan gepest te worden, maar hun leerkrachten en klasgenoten zagen deze kinderen niet als slachtoffers. Slechts een klein deel van de leerlingen die in de vragenlijst had aangegeven gepest te worden, werd door de leerkrachten en klasgenoten genoemd als slachtoffer. In interviews merkte diverse leerkrachten op dat sommige kinderen in hun klas zeiden gepest te worden, maar dat dit niet echt zo was.

Het is lastig vast te stellen wie er gelijk heeft als de rapportages van verschillende informanten niet overeenkomen. Het is mogelijk dat leerkrachten en klasgenoten niet goed weten wie er gepest worden. Dit is zorgelijk omdat leerkrachten en klasgenoten die het pesten niet herkennen het slachtoffer waarschijnlijk ook niet zullen helpen. Het is ook mogelijk dat sommige kinderen rapporteren gepest te worden terwijl dit niet echt zo is. Onderzoek laat echter zien dat kinderen die het gevoel hebben gepest te worden hier ook de negatieve gevolgen van ervaren. Kinderen die ervaren dat ze gepest worden, zijn dus vaker eenzaam, angstig en depressief.

Een belangrijke implicatie van ons onderzoek is dat pesten een subjectief verschijnsel is. Sommige kinderen ervaren dat ze gepest worden, terwijl hun omgeving dit niet zo ziet. Omdat het bijna onmogelijk is om te bepalen of kinderen ‘echt’ gepest worden, moeten we het idee van ‘echt’ pesten loslaten. In plaats daarvan moeten we pesten meer als een subjectief verschijnsel gaan zien. Het is belangrijk dat kinderen die rapporteren dat ze gepest worden serieus genomen worden want zij ervaren hier de negatieve gevolgen van, ook al hebben hun leerkrachten en klasgenoten het idee dat het allemaal wel meevalt.